SV
7En Jozef bracht zijn vader Jakob mede, en stelde hem voor Farao's aangezicht; en Jakob zegende Farao.
8En Farao zeide tot Jakob: Hoe vele zijn de dagen der jaren uws levens!
9En Jakob zeide tot Farao: De dagen der jaren mijner vreemdelingschappen zijn honderd en dertig jaren; weinig en kwaad zijn de dagen der jaren mijns levens geweest, en hebben niet bereikt de dagen van de jaren des levens mijner vaderen, in de dagen hunner vreemdelingschappen.
10En Jakob zegende Farao, en ging uit van Farao's aangezicht.
Deze bijbeltekst is ontleend aan aan de Staten Vertaling van 1637