Handelingen 20:17-37

SV

17Maar hij zond van Milete naar Efeze, en hij ontbood de ouderlingen der Gemeente.
18En als zij tot hem gekomen waren, zeide hij tot hen: Gijlieden weet, van den eersten dag af, dat ik in Azie ben aangekomen, hoe ik bij u den gansen tijd geweest ben;
19Dienende den Heere met alle ootmoedigheid, en vele tranen, en verzoekingen, die mij overkomen zijn door de lagen der Joden;
20Hoe ik niets achtergehouden heb van hetgeen nuttig was, dat ik u niet zou verkondigd en u geleerd hebben, in het openbaar en bij de huizen;
21Betuigende, beiden Joden en Grieken, de bekering tot God en het geloof in onzen Heere Jezus Christus.
22En nu ziet, ik, gebonden zijnde door den Geest, reis naar Jeruzalem, niet wetende, wat mij daar ontmoeten zal;
23Dan dat de Heilige Geest van stad tot stad betuigt, zeggende, dat mij banden en verdrukkingen aanstaande zijn.
24Maar ik acht op geen ding, noch houde mijn leven dierbaar voor mijzelven, opdat ik mijn loop met blijdschap mag volbrengen, en den dienst, welken ik van den Heere Jezus ontvangen heb, om te betuigen het Evangelie der genade Gods.
25En nu ziet, ik weet, dat gij allen, waar ik doorgegaan ben, predikende het Koninkrijk Gods, mijn aangezicht niet meer zien zult.
26Daarom betuig ik ulieden op deze huidigen dag, dat ik rein ben van het bloed van u allen.
27Want ik heb niet achtergehouden, dat ik u niet zou verkondigd hebben al den raad Gods.
28Zo hebt dan acht op uzelven en op de gehele kudde, over dewelke u de Heilige Geest tot opzieners gesteld heeft, om de Gemeente Gods te weiden, welke Hij verkregen heeft door Zijn eigen bloed.
29Want dit weet ik, dat na mijn vertrek zware wolven tot u inkomen zullen, die de kudde niet sparen.
30En uit uzelven zullen mannen opstaan, sprekende verkeerde dingen, om de discipelen af te trekken achter zich.
31Daarom waakt, en gedenkt, dat ik drie jaren lang nacht en dag, niet opgehouden heb een iegelijk met tranen te vermanen.
32En nu, broeders, ik bevele u Gode, en den woorde Zijner genade, Die machtig is u op te bouwen, en u een erfdeel te geven onder al de geheiligden.
33Ik heb niemands zilver, of goud, of kleding begeerd.
34En gijzelve weet, dat deze handen tot mijn nooddruft, en dergenen, die met mij waren, gediend hebben.
35Ik heb u in alles getoond, dat men, alzo arbeidende, de zwakken moet opnemen, en gedenken aan de woorden van den Heere Jezus, dat Hij gezegd heeft: Het is zaliger te geven, dan te ontvangen.
36En als hij dit gezegd had, heeft hij nederknielende met hen allen gebeden.
37En er werd een groot geween van hen allen; en zij, vallende om den hals van Paulus, kusten hem;

KJV

17And from Miletus he sent to Ephesus, and called the elders of the church.
18And when they were come to him, he said unto them, Ye know, from the first day that I came into Asia, after what manner I have been with you at all seasons,
19Serving the Lord with all humility of mind, and with many tears, and temptations, which befell me by the lying in wait of the Jews:
20And how I kept back nothing that was profitable unto you, but have shewed you, and have taught you publickly, and from house to house,
21Testifying both to the Jews, and also to the Greeks, repentance toward God, and faith toward our Lord Jesus Christ.
22And now, behold, I go bound in the spirit unto Jerusalem, not knowing the things that shall befall me there:
23Save that the Holy Ghost witnesseth in every city, saying that bonds and afflictions abide me.
24But none of these things move me, neither count I my life dear unto myself, so that I might finish my course with joy, and the ministry, which I have received of the Lord Jesus, to testify the gospel of the grace of God.
25And now, behold, I know that ye all, among whom I have gone preaching the kingdom of God, shall see my face no more.
26Wherefore I take you to record this day, that I am pure from the blood of all men.
27For I have not shunned to declare unto you all the counsel of God.
28Take heed therefore unto yourselves, and to all the flock, over the which the Holy Ghost hath made you overseers, to feed the church of God, which he hath purchased with his own blood.
29For I know this, that after my departing shall grievous wolves enter in among you, not sparing the flock.
30Also of your own selves shall men arise, speaking perverse things, to draw away disciples after them.
31Therefore watch, and remember, that by the space of three years I ceased not to warn every one night and day with tears.
32And now, brethren, I commend you to God, and to the word of his grace, which is able to build you up, and to give you an inheritance among all them which are sanctified.
33I have coveted no man's silver, or gold, or apparel.
34Yea, ye yourselves know, that these hands have ministered unto my necessities, and to them that were with me.
35I have shewed you all things, how that so labouring ye ought to support the weak, and to remember the words of the Lord Jesus, how he said, It is more blessed to give than to receive.
36And when he had thus spoken, he kneeled down, and prayed with them all.
37And they all wept sore, and fell on Paul's neck, and kissed him,
Helaas geen NBV vertaling meer. Binnen de huidige voorwaarden van het Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap is dit momenteel niet toegestaan.

Suggesties voor alternatieven zijn welkom via het feedback formulier.