Handelingen 24:10-21

SV

10Maar Paulus, als hem de stadhouder gewenkt had, dat hij zou spreken, antwoordde: Dewijl ik weet, dat gij nu vele jaren over dit volk rechter zijt geweest, zo verantwoord ik mijzelven met des te beteren moed.
11Alzo gij kunt weten, dat het niet meer dan twaalf dagen zijn, van dat ik ben opgekomen om te aanbidden te Jeruzalem;
12En zij hebben mij noch in den tempel gevonden tot iemand sprekende, of enige samenrotting des volks makende, noch in de synagogen, noch in de stad;
13En zij kunnen niet bewijzen, waarvan zij mij nu beschuldigen.
14Maar dit beken ik u, dat ik naar dien weg, welken zij sekte noemen, den God der vaderen alzo diene, gelovende alles, wat in de wet en in de profeten geschreven is;
15Hebbende hoop op God, welke dezen ook zelf verwachten, dat er een opstanding der doden wezen zal, beiden der rechtvaardigen en der onrechtvaardigen.
16En hierin oefen ik mijzelven, om altijd een onergerlijk geweten te hebben bij God en de mensen.
17Doch na vele jaren ben ik gekomen om aalmoezen te doen aan mijn volk, en offeranden.
18Waarover mij gevonden hebben, geheiligd zijnde, in den tempel, niet met volk, noch met beroerte, enige Joden uit Azie;
19Welke behoorden hier voor u tegenwoordig te zijn, en mij te beschuldigen, indien zij iets hadden tegen mij.
20Of dat dezen zelf zeggen of zij enig onrecht in mij gevonden hebben, als ik voor den raad stond;
21Dan van dit enig woord, hetwelk ik riep, staande onder hen: Over de opstanding der doden word ik heden van ulieden geoordeeld!

KJV

10Then Paul, after that the governor had beckoned unto him to speak, answered, Forasmuch as I know that thou hast been of many years a judge unto this nation, I do the more cheerfully answer for myself:
11Because that thou mayest understand, that there are yet but twelve days since I went up to Jerusalem for to worship.
12And they neither found me in the temple disputing with any man, neither raising up the people, neither in the synagogues, nor in the city:
13Neither can they prove the things whereof they now accuse me.
14But this I confess unto thee, that after the way which they call heresy, so worship I the God of my fathers, believing all things which are written in the law and in the prophets:
15And have hope toward God, which they themselves also allow, that there shall be a resurrection of the dead, both of the just and unjust.
16And herein do I exercise myself, to have always a conscience void of offence toward God, and toward men.
17Now after many years I came to bring alms to my nation, and offerings.
18Whereupon certain Jews from Asia found me purified in the temple, neither with multitude, nor with tumult.
19Who ought to have been here before thee, and object, if they had ought against me.
20Or else let these same here say, if they have found any evil doing in me, while I stood before the council,
21Except it be for this one voice, that I cried standing among them, Touching the resurrection of the dead I am called in question by you this day.
Helaas geen NBV vertaling meer. Binnen de huidige voorwaarden van het Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap is dit momenteel niet toegestaan.

Suggesties voor alternatieven zijn welkom via het feedback formulier.