Jakobus 2:14-26

SV

14Wat nuttigheid is het, mijn broeders, indien iemand zegt, dat hij het geloof heeft, en hij heeft de werken niet? Kan dat geloof hem zaligmaken?
15Indien er nu een broeder of zuster naakt zouden zijn, en gebrek zouden hebben aan dagelijks voedsel;
16En iemand van u tot hen zou zeggen: Gaat henen in vrede, wordt warm, en wordt verzadigd; en gijlieden zoudt hun niet geven de nooddruftigheden des lichaams, wat nuttigheid is dat?
17Alzo ook het geloof, indien het de werken niet heeft, is bij zichzelven dood.
18Maar, zal iemand zeggen: Gij hebt het geloof, en ik heb de werken. Toon mij uw geloof uit uw werken, en ik zal u uit mijn werken mijn geloof tonen.
19Gij gelooft, dat God een enig God is; gij doet wel; de duivelen geloven het ook, en zij sidderen.
20Maar wilt gij weten, o ijdel mens, dat het geloof zonder de werken dood is?
21Abraham, onze vader, is hij niet uit de werken gerechtvaardigd, als hij Izak, zijn zoon, geofferd heeft op het altaar?
22Ziet gij wel, dat het geloof mede gewrocht heeft met zijn werken, en het geloof volmaakt is geweest uit de werken?
23En de Schrift is vervuld geworden, die daar zegt: En Abraham geloofde God, en het is hem tot rechtvaardigheid gerekend, en hij is een vriend van God genaamd geweest.
24Ziet gij dan nu, dat een mens uit de werken gerechtvaardigd wordt, en niet alleenlijk uit het geloof?
25En desgelijks ook Rachab, de hoer, is zij niet uit de werken gerechtvaardigd geweest, als zij de gezondenen heeft ontvangen, en door een anderen weg uitgelaten?
26Want gelijk het lichaam zonder geest dood is, alzo is ook het geloof zonder de werken dood.

KJV

14What doth it profit, my brethren, though a man say he hath faith, and have not works? can faith save him?
15If a brother or sister be naked, and destitute of daily food,
16And one of you say unto them, Depart in peace, be ye warmed and filled; notwithstanding ye give them not those things which are needful to the body; what doth it profit?
17Even so faith, if it hath not works, is dead, being alone.
18Yea, a man may say, Thou hast faith, and I have works: shew me thy faith without thy works, and I will shew thee my faith by my works.
19Thou believest that there is one God; thou doest well: the devils also believe, and tremble.
20But wilt thou know, O vain man, that faith without works is dead?
21Was not Abraham our father justified by works, when he had offered Isaac his son upon the altar?
22Seest thou how faith wrought with his works, and by works was faith made perfect?
23And the scripture was fulfilled which saith, Abraham believed God, and it was imputed unto him for righteousness: and he was called the Friend of God.
24Ye see then how that by works a man is justified, and not by faith only.
25Likewise also was not Rahab the harlot justified by works, when she had received the messengers, and had sent them out another way?
26For as the body without the spirit is dead, so faith without works is dead also.
Helaas geen NBV vertaling meer. Binnen de huidige voorwaarden van het Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap is dit momenteel niet toegestaan.

Suggesties voor alternatieven zijn welkom via het feedback formulier.