SV
4Is het om uw vreze, dat Hij u bestraft, dat Hij met u in het gericht komt?
5Is niet uw boosheid groot, en uwer ongerechtigheden geen einde?
6Want gij hebt uw broederen zonder oorzaak pand afgenomen, en de klederen der naakten hebt gij uitgetogen.
7Den moede hebt gij geen water te drinken gegeven, en van den hongerige hebt gij het brood onthouden.
8Maar was er een man van geweld, voor dien was het land, en een aanzienlijk persoon woonde daarin.
9De weduwen hebt gij ledig weggezonden, en de armen der wezen zijn verbrijzeld.
10Daarom zijn strikken rondom u, en vervaardheid heeft u haastelijk beroerd.
11Of gij ziet de duisternis niet, en des water overvloed bedekt u.
Deze bijbeltekst is ontleend aan aan de Staten Vertaling van 1637