SV
8Zekerlijk de geest, die in den mens is, en de inblazing des Almachtigen, maakt henlieden verstandig.
9De groten zijn niet wijs, en de ouden verstaan het recht niet.
10Daarom zeg ik: Hoor naar mij; ik zal mijn gevoelen ook vertonen.
11Ziet, ik heb gewacht op ulieder woorden; ik heb het oor gewend tot ulieder aanmerkingen, totdat gij redenen uitgezocht hadt.
Deze bijbeltekst is ontleend aan aan de Staten Vertaling van 1637