Job 39:8-22

SV

8Wie heeft den woudezel vrij henengezonden, en wie heeft de banden des wilden ezels gelost?
9Dien Ik de wildernis tot zijn huis besteld heb, en het ziltige tot zijn woningen.
10Hij belacht het gewoel der stad; het menigerlei getier des drijvers hoort hij niet.
11Dat hij uitspeurt op de bergen, is zijn weide; en hij zoekt allerlei groensel na.
12Zal de eenhoorn u willen dienen? Zal hij vernachten aan uw kribbe?
13Zult gij den eenhoorn met zijn touw aan de voren binden? Zal hij de laagten achter u eggen?
14Zult gij op hem vertrouwen, omdat zijn kracht groot is, en zult gij uw arbeid op hem laten?
15Zult gij hem geloven, dat hij uw zaad zal wederbrengen, en vergaderen tot uw dorsvloer?
16Zijn an u de verheugelijke vleugelen der pauwen? Of de vederen des ooievaars, en des struisvogels?
17Dat zij haar eieren in de aarde laat, en in het stof die verwarmt.
18En vergeet, dat de voet die drukken kan, en de dieren des velds die vertrappen kunnen?
19Zij verhardt zich tegen haar jongen, alsof zij de hare niet waren; haar arbeid is te vergeefs, omdat zij zonder vreze is.
20Want God heeft haar van wijsheid ontbloot, en heeft haar des verstands niet medegedeeld.
21Als het tijd is, verheft zij zich in de hoogte; zij belacht het paard en zijn rijder.
22Zult gij het paard sterkte geven? Kunt gij zijn hals met donder bekleden?

KJV

8The range of the mountains is his pasture, and he searcheth after every green thing.
9Will the unicorn be willing to serve thee, or abide by thy crib?
10Canst thou bind the unicorn with his band in the furrow? or will he harrow the valleys after thee?
11Wilt thou trust him, because his strength is great? or wilt thou leave thy labour to him?
12Wilt thou believe him, that he will bring home thy seed, and gather it into thy barn?
13Gavest thou the goodly wings unto the peacocks? or wings and feathers unto the ostrich?
14Which leaveth her eggs in the earth, and warmeth them in dust,
15And forgetteth that the foot may crush them, or that the wild beast may break them.
16She is hardened against her young ones, as though they were not hers: her labour is in vain without fear;
17Because God hath deprived her of wisdom, neither hath he imparted to her understanding.
18What time she lifteth up herself on high, she scorneth the horse and his rider.
19Hast thou given the horse strength? hast thou clothed his neck with thunder?
20Canst thou make him afraid as a grasshopper? the glory of his nostrils is terrible.
21He paweth in the valley, and rejoiceth in his strength: he goeth on to meet the armed men.
22He mocketh at fear, and is not affrighted; neither turneth he back from the sword.
Helaas geen NBV vertaling meer. Binnen de huidige voorwaarden van het Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap is dit momenteel niet toegestaan.

Suggesties voor alternatieven zijn welkom via het feedback formulier.