Johannes 10:22-39

SV

22En het was het feest der vernieuwing des tempels te Jeruzalem; en het was winter.
23En Jezus wandelde in den tempel, in het voorhof van Salomo.
24De Joden dan omringden Hem, en zeiden tot Hem: Hoe lang houdt Gij onze ziel op? Indien Gij de Christus zijt, zeg het ons vrijuit.
25Jezus antwoordde hun: Ik heb het u gezegd, en gij gelooft het niet. De werken, die Ik doe in den Naam Mijns Vaders, die getuigen van Mij.
26Maar gijlieden gelooft niet; want gij zijt niet van Mijn schapen, gelijk Ik u gezegd heb.
27Mijn schapen horen Mijn stem, en Ik ken dezelve, en zij volgen Mij.
28En Ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal dezelve uit Mijn hand rukken.
29Mijn Vader, die ze Mij gegeven heeft, is meerder dan allen; en niemand kan ze rukken uit de hand Mijns Vaders.
30Ik en de Vader zijn een.
31De Joden dan namen wederom stenen op, om Hem te stenigen.
32Jezus antwoordde hun: Ik heb u vele treffelijke werken getoond van Mijn Vader; om welk werk van die stenigt gij Mij?
33De Joden antwoordden Hem, zeggende: Wij stenigen U niet over enig goed werk, maar over gods lastering, en omdat Gij, een Mens zijnde, Uzelven God maakt.
34Jezus antwoordde hun: Is er niet geschreven in uw wet: Ik heb gezegd, gij zijt goden?
35Indien de wet die goden genaamd heeft, tot welke het woord Gods geschied is, en de Schrift niet kan gebroken worden;
36Zegt gijlieden tot Mij, Dien de Vader geheiligd en in de wereld gezonden heeft: Gij lastert God; omdat Ik gezegd heb: Ik ben Gods Zoon?
37Indien Ik niet doe de werken Mijns Vaders, zo gelooft Mij niet;
38Maar indien Ik ze doe, en zo gij Mij niet gelooft, zo gelooft de werken; opdat gij moogt bekennen en geloven, dat de Vader in Mij is, en Ik in Hem.
39Zij zochten dan wederom Hem te grijpen, en Hij ontging uit hun hand.

KJV

22And it was at Jerusalem the feast of the dedication, and it was winter.
23And Jesus walked in the temple in Solomon's porch.
24Then came the Jews round about him, and said unto him, How long dost thou make us to doubt? If thou be the Christ, tell us plainly.
25Jesus answered them, I told you, and ye believed not: the works that I do in my Father's name, they bear witness of me.
26But ye believe not, because ye are not of my sheep, as I said unto you.
27My sheep hear my voice, and I know them, and they follow me:
28And I give unto them eternal life; and they shall never perish, neither shall any man pluck them out of my hand.
29My Father, which gave them me, is greater than all; and no man is able to pluck them out of my Father's hand.
30I and my Father are one.
31Then the Jews took up stones again to stone him.
32Jesus answered them, Many good works have I shewed you from my Father; for which of those works do ye stone me?
33The Jews answered him, saying, For a good work we stone thee not; but for blasphemy; and because that thou, being a man, makest thyself God.
34Jesus answered them, Is it not written in your law, I said, Ye are gods?
35If he called them gods, unto whom the word of God came, and the scripture cannot be broken;
36Say ye of him, whom the Father hath sanctified, and sent into the world, Thou blasphemest; because I said, I am the Son of God?
37If I do not the works of my Father, believe me not.
38But if I do, though ye believe not me, believe the works: that ye may know, and believe, that the Father is in me, and I in him.
39Therefore they sought again to take him: but he escaped out of their hand,
Helaas geen NBV vertaling meer. Binnen de huidige voorwaarden van het Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap is dit momenteel niet toegestaan.

Suggesties voor alternatieven zijn welkom via het feedback formulier.